Idee voor een Wiki artikel? Lees in dit artikel hoe je kunt helpen!

Endurance Training

Uit Bokt

Ga naar: navigatie, zoeken
Training voor een endurance

Om een endurancewedstrijd goed uit te rijden, moet daarvoor getraind worden. Hieronder staan voorbeelden van schema's van endurance trainingen. Bij de schema's wordt uitgegaan van een paard dat geen lichamelijke klachten heeft.

Kennismakingsklasse

De kennismakingsklasse komt voor een groot deel overeen met klasse 1. Over het algemeen zijn de afstanden gelijk, alleen de minimum en maximumsnelheid wijken af. De training is wel gelijk.

Klasse I

Klasse 1 is de laagste klasse in de endurance. Wedstrijden variëren van zo'n 20 kilometer tot maximaal 39 kilometer. De minimum snelheid is 9 kilometer per uur (op sommige wedstrijden kan dit afwijken) en de maximumsnelheid 13 kilometer per uur. Een gezond paard met een normale training moet een klasse 1 wedstrijd met gemak uit kunnen lopen. Onder een "normale" training wordt verstaan dat er dagelijks wordt gereden, waarbij er bij voorkeur ook bosritten worden gemaakt. Over het algemeen is het voor warmbloeden of volbloeden makkelijker dan voor koudbloeden. Het is verstandig om ruim voor een wedstrijd te kijken wat je paard aan kan.

Voorbeeld trainingsschema
Dag Activiteit
Maandag 1 uur dressuurtraining
Dinsdag 1 tot 1,5 uur bosrit (waarbij voornamelijk wordt gedraafd)
Woensdag 1 uur dressuurtraining
Donderdag 0,5 tot 1 uur bosrit
Vrijdag 1 uur dressuur/springtraining
Zaterdag Rustdag
Zondag Lange bosrit op laag tempo (bijvoorbeeld 2,5 tot 3 uur met regelmatige stappauzes)


Let wel: met een dergelijk schema kom je goedgekeurd over de finish, mits je niet te hard rijdt. Om meer snelheid te krijgen kun je in de lange(re) training de stappauzes laten vervallen, wat sneller gaan draven en wat meer gaan galopperen.

Het belangrijkste is om naar je paard te luisteren. Als het paard aangeeft dat het te veel is, neem dan een stap terug. Een mooi endurance motto is niet voor niets: 'It's not the distance that kills the horse, it's the speed'.

Klasse II

Klasse II is de volgende klasse. De lengte van een wedstrijd varieert van 40 tot 79 kilometer. De maximumsnelheid is hier niet meer van toepassing. De minimumsnelheid is hetzelfde als in klasse I. De training is uitgebreider. Het kan soms raadzaam zijn om in je training al een "oefenvetgate" in te voegen. Dit is niet zo zeer om het uithoudingsvermogen van je paard te trainen, maar heeft meer een psychologische werking. Het kan voor het paard een schok zijn om na de normale arbeid weer verder te moeten.

In principe is het niet zo dat je in de training het aantal kilometers van de wedstrijd rijdt. Dit kan wel een keer, maar dit moet je niet te vaak doen. De reden hiervoor is dat je bij langere afstanden meer slijtage hebt.

Vanaf nu gaat vooral de snelheid omhoog. Om een klasse II goed uit te kunnen rijden moet een paard zo'n 3 à 4 uur kunnen lopen. Een goede methode is om het paard eraan te laten wennen dat het 4 uur moet lopen. Leg daarbij de snelheid zo rond het tempo dat je in een wedstrijd ook wilt gaan doen. Je kunt er ook voor kiezen het tempo net iets hoger te leggen, maar nooit meer dan 3,5 uur te trainen. Kies in ieder geval voor een methode die bij jou en je paard past en hou daarbij ook in je achterhoofd wat voor wedstrijdruiter je zelf bent.

Klasse III

Bij klasse III is het paard als het goed is inmiddels gewend aan de "schok" na de vetgate: we gaan weer. Voor sommige paarden kan het echter nog wel een flinke inschattingsfout betekenen als er na een tweede vetgate weer verder gereden moet worden.

Voor klasse III is het belangrijk dat de conditie goed op peil is, het paard geen blessures heeft en niet net ziek is geweest. Aan het begin van de wedstrijd moet alles tip top in orde zijn, alleen dan heeft het paard voldoende reserves om de wedstrijd uit te lopen. Om dit te bereiken is het vanaf klasse III goed om intervaltrainingen te doen. Let ook op het soort ondergrond waar je op traint. Geef je paard voldoende rust om te herstellen van een wedstrijd of een zware training, maar zorg ook dat hij soepel blijft en niet verzuurt en uiteindelijk spierbevangen wordt.

In klasse III wordt het ook belangrijker om op de voeding en het harnachement te gaan letten. Het zadel moet goed passen en ook op de bespiering kunnen anticiperen. Zorg ook voor voldoende herstelperiode tussen de wedstrijden.

Wil je verder dan klasse III? Let er dan op dat je jezelf ook meer gaat trainen, het vergemakkelijkt de klasse III wedstrijden al, maar in klasse IV heb je daar ook profijt van.

Klasse IV

Klasse IV is een vak apart, het neusje van de zalm. Het vereist een goed op elkaar ingespeeld team, waarbij het paard elk lid van het team vertrouwt. In de vorige klassen hebben ruiter en paard goed kunnen oefenen. De meeste ruiters beginnen met een korte klasse IV, van 120 km.

Qua training is het nu belangrijk om aandacht te besteden aan de zwakke punten. Zowel ruiter als paard moeten getraind zijn en genoeg conditie hebben om urenlang in touw te zijn. Hierbij kan het nuttig zijn als de ruiter naast het paard kan joggen. Het is dus niet alleen zaak het paard goed getraind te hebben, maar ook de ruiter moet genoeg sporten. Hardlooptraining, zwemtraining, maar ook lenigheid en souplesse komen de ruiter nu goed van pas.

Omdat geen enkel paard hetzelfde is, is er moeilijk een standaard trainingsmethode te beschrijven. Meestal is na klasse III ook al genoeg ervaring opgedaan om te weten welke onderwerpen nog extra aandacht nodig hebben.

Met hartslagmeter trainen

Het trainen met hartslagmeter is een vorm van trainen. Het is mogelijk om een aantal minuten te draven in een goed tempo, zonder dat je daarbij de hartslag weet. Het trainen met hartslag geeft een extra controle middel. Het ligt er maar net aan of de ruiter dit zelf een prettige trainingsmethode vindt.

Bij het trainen met hartslagmeter krijgt het paard twee electroden onder het zadel en heeft de ruiter een hartslaghorloge, waarop de hartslagwaardes verschijnen. Het gemiddelde aantal slagen per minuut in stap (ongeveer 60), draf (ongeveer 90) en (rustige) galop (ongeveer 120) zijn bekend en vormen de basis van de training. Let wel: deze waardes kunnen per paard verschillen. In een eerste training worden deze waardes voor het paard waar het om gaat ongeveer bepaald. Daarna kan voor verschillende scenario's worden gekozen, zo kan er voor worden gekozen om er iets boven te gaan zitten. Bijvoorbeeld: een paard dat een gemiddelde waarde van 90 heeft moet in de training continu 95 in draf hebben. Ook kan ervoor worden gekozen om het grootste gedeelte van de tijd op deze waarde te zitten en een paar intervallen te maken waarbij het paard ruim boven het gemiddelde zit. Bijvoorbeeld: in totaal 30 minuten draven, waarbij na 10 minuten rustig draven 5 uitgestrekt wordt gedraafd en waarbij de hartslag bijvoorbeeld 15 slagen boven het gemiddelde zit.

Als laatste is er nog de maximaaltest. De maximaaltest is niet voor ongetrainde paarden. Het is een zware oefening die veel van met name het hart vergt. Nadat het paard is warm gereden, wordt een galop ingezet. De waarde blijft rond het gemiddelde, langzaamaan wordt een versnelling ingezet, de waarde stijgt. De versnelling gaat tot de maximale snelheid die het paard kan halen. Dit wordt ongeveer een minuut volgehouden. De waarde die in die minuut wordt gehaald is de maximale hartslag van het paard. Nadat het paard verder is getraind kan zo'n maximaaltest worden herhaald. Het idee is dat een goed getraind paard een lagere maximale waarde heeft, de maximaaltest dient slechts ter controle. Het is niet de bedoeling elke week een maximaal test te doen, maar bijvoorbeeld 2 keer per jaar.

Ondergrondtraining

Training op het strand
Training in het bos

Omdat je in wedstrijden regelmatig op verschillende soorten ondergronden zult rijden is het belangrijk hier van te voren al op te anticiperen. Om je wedstrijdseizoen tot een succes te maken, zul je van te voren al een wedstrijdplanning moeten maken. Daarna ga je kijken welk punt je op welk moment het sterkst wilt hebben. Hierbij let je op weersomstandigheden (warmte, kou, nat, droog) omdat die veel invloed hebben op het verloop van de wedstrijd, hier kun je echter niet op trainen. Ondergrond is wel te trainen.

Het gebied waarin je normaal gesproken traint heeft een aantal karakteristieke eigenschappen. Zo kan het zijn dat je in een bosgebied woont, of juist bij het strand of in de polder. Ga je een wedstrijd rijden op het strand en in de duinen, dan zul je veel zwaar zand tegen komen. Als je nooit op een soortgelijke ondergrond hebt getraind, dan is de kans op blessures groot. De spieren en pezen van je paard zijn niet gewend aan de enorme kracht die het kost om door het zand te ploegen. Bij een matig getraind paard, lange afstand of hoge snelheid is de kans dat je paard zo'n zware ondergrond niet zonder blessures zal doorstaan.

Als je op een andere ondergrond gaat trainen is het belangrijk dat je de zwaarte van de training aanpast. Een paard wat normaal gesproken in de dagelijkse training met gemak 15 kilometer per uur loopt op bijvoorbeeld harde ondergrond, zal die snelheid ook kunnen halen in de duinen. Het is alleen niet aan te raden. Het beste is om een wat kortere training te doen, dus zo'n 2 uur in plaats van ruim 3 en het tempo iets terug te schroeven, of meer stappauzes in te lassen. Het paardenlichaam heeft namelijk meer tijd nodig om te herstellen. Als je regelmatig in een ander gebied gaat trainen, kun je hier de zwaarte en duur ook weer opbouwen.

Intervaltraining

Intervaltraining is een vak apart. Het is te vergelijken met de maximaaltest zoals die onder het trainen met hartslagmeter is besproken. Het allerbelangrijkste is dat de training is aangepast op het fysieke vermogen van het paard. Met andere woorden: het paard moet voldoende conditie hebben.

Een intervaltraining vraagt veel van het paard. Het doel is om de snelheid waarmee het paard kan lopen te vergroten. Over het algemeen zul je op een gegeven moment in de normale training een punt bereiken waarop het paard niet zonder meer harder kan lopen. Het uithoudingsvermogen is goed, maar toch haalt het paard geen echte winst qua snelheid, het blijft op zo'n 15 kilometer per uur steken. Als ruiter wil je op zo'n moment dan net dat beetje extra, je wilt liever 16 kilometer per uur halen. Intervaltraining kan hierbij een goed hulpmiddel zijn. Voordat je hieraan begint moet je je echter realiseren dat de kruissnelheid van een paard al eeuwen op zo'n 16 kilometer per uur ligt. Dit kan per paard verschillen, maar dat wil niet zeggen dat het verstandig is een paard zodanig te trainen dat het de 18 kilometer per uur haalt.

Om te beginnen zoek je een geschikte locatie. Een lang recht en zo vlak mogelijk pad waar het niet al te druk is, is prima. Voordat je aan de intervallen begint zorg je dat het paard goed warm is, dit om blessures te voorkomen. Dan kan het echte werk beginnen. Aan het begin van het pad galoppeer je aan, voer de snelheid op tot het paard in een flinke galop is. Let hierbij op dat het paard niet al zijnn energie verbruikt, maar het moet wel moe zijn. Het is moeilijk om een afstand en tijd te geven. Als het paard duidelijk vermoeid raakt en het tempo laat zakken is het tijd om terug te schakelen, zorg er wel voor dat je nog iets langer doorgaat, daarmee vergroot je het uithoudingsvermogen. Het is mogelijk langzaam terug te schakelen, dus over te gaan tot een handgalopje en daarna een draf en vervolgens stap, maar ook direct naar stap terugschakelen en met een lange teugel op adem laten komen is prima. Zodra het paard weer op adem is, herhaal je het interval. Het paard zal duidelijk vermoeider zijn, maar het is belangrijk om toch even lang te galopperen of een even grote afstand af te leggen. Dat laatste is waarschijnlijk vermoeiender en niet aan te raden voor een eerste keer. Deze intervallen worden een aantal keren herhaald. Let er hierbij op dat de eerste keer niet te zwaar wordt, drie keer is dan meer dan genoeg. Ook is het belangrijk niet iedere week een zware intervaltraining te doen. Een interval (hooguit 1 of 2 galoppades) in een langere training is ook een goede training.

Het uiteindelijke doel is om het herstellend vermogen van het paard tussen de intervallen te vergroten. In het begin is het misschien nodig om 5 minuten te stappen, later is bijvoorbeeld 3 genoeg. De intervallen moeten niet aan elkaar worden geplakt, maar in de tussenliggende periode ga je uiteindelijk niet meer stappen, maar blijf je draven. Logischerwijs wordt daarmee de herstelperiode langer. Uiteindelijk kan een paard in draf goed herstellen en dit is in een wedstrijd altijd tijdwinst. Het allerhoogste doel is om een paard te hebben dat in een rustig handgalopje al herstelt.

Belangrijk is om te controleren hoe het paard herstelt. Met het oog is te zien dat het paard op adem komt, dat het hoofd weer omhoog gaat en het paard weer wakkerder wordt, maar uiteindelijk zal het verschil niet zo heel duidelijk meer te zien zijn. Het is dan goed om een hartslagmeter te gebruiken, hierop kan redelijk objectief worden gezien dat de hartslag zakt tot een niveau dat bij het betreffende paard in die bepaalde gang hoort.

Ongerichte Training

Onder ongerichte training wordt in dit geval de extra training verstaan. Hoe houd je je paard fysiek en mentaal soepel?

Dressuurtraining

Om te beginnen mag de dressuurtraining niet ontbreken.

Om je paard in staat te stellen uren lang, met slechts een paar pauzes, te lopen moet het paard soepel zijn. Het moet in staat zijn verschillende spiergroepen aan te spreken en ook klappen op te vangen. Het paard moet in balans zijn, zodat de linker- en rechterzijde gelijk worden belast. Op het moment dat het paard aan één kant zijn gewrichten of spieren meer belast dan aan de andere kant, zal daar, zeker op ritten van tientallen kilometers, door pijn een verschil zichtbaar worden. Op het moment dat dat zo is, is het paard kreupel en wordt je gediskwalificeerd.

In de wedstrijd kan met behulp van fysiotherapie een heleboel worden gedaan, maar lenigheid masseer je er niet in. Het is daarom belangrijk om de dressuurtraining niet te verwaarlozen. Hierbij wordt veel aandacht besteed aan de rug. Het paard moet over de rug lopen, een goede bespiering op de rug hebben en de rug ook soepel kunnen bewegen. Een goede methode is bijvoorbeeld voorwaarts/neerwaarts rijden. Een endurancepaard hoeft in de dressuur niet uit te blinken, een perfecte verzameling is niet strikt noodzakelijk. Het paard moet echter wel kunnen schakelen, van verzameling naar uitstrekking bijvoorbeeld, of van stap naar galop.

Het primaire doel van dressuur bij endurance is eigenlijk het gymnastiseren van het paard, waarbij meer specifiek de verschillen tussen links en rechts geminimaliseerd worden, het paard soepel en lenig is en hier op langere afstanden veel profijt van heeft.

Springtraining

Springtraining is niet noodzakelijk, maar voor veel paarden wel leuk. Het dient in eerste instantie meestal om het paard wat afwisseling te geven, iets anders te doen. In tweede instantie mag het trainen van de achterhand (de motor) niet worden onderschat. En als laatste: door springen (en dressuur), verbetert de controle van de ruiter over het paard.

Als je gaat springen hoeft het geen parcours van 1,60 meter te zijn. Een oxer, stijlsprong en in uitje van ongeveer 1 meter is meer dan voldoende. Let er op dat het je het paard niet overvraagt. Een endurancepaard heeft andere spiergroepen ontwikkeld dan een springpaard. Zeker als er weinig wordt gesprongen zal een endurancepaard erg snel vermoeid zijn. Houd dus rekening met het uithoudingsvermogen van het paard en las regelmatig stappauzes in, zodat het paard kan bijkomen.

Longeren

Longeren is een goede manier om het paard te trainen, zonder dat er iemand op zit. Zeker voor endurancepaarden die vaak urenlang met een ruiter op hun rug moeten lopen is het een goed alternatief. Daarbij moet worden aangetekend dat het rondslingeren van een paard aan een touwtje nog geen longeren is. Heb je weinig ervaring met longeren hebt, laat je dan begeleiden door een goede instructeur.

Longeren is een goed alternatief voor dressuur. Stel het paard op de juiste manier in met behulp van touwtjes of gebruik een dubbele longe.

Fysiotherapie

Fysiotherapie is, zeker op de langere afstanden (vanaf klasse III) erg belangrijk. Hoewel het in eerste instantie misschien geen trainingsvorm lijkt, zijn er wel degelijk aspecten die met fysiotherapie getraind kunnen worden.

Allereerst kan fysiotherapie een aanvulling zijn op de dressuur. In de dressuur is het de bedoeling om het paard soepeler en leniger te maken, een goede fysiotherapeut kan een paard hierbij ook helpen. Door te strekken kunnen bepaalde spieren en pezen worden gerekt, waardoor het paard meer bewegingsvrijheid krijgt. Een fysiotherapeut kan dit soort rek- en strekoefeningen ook aan de ruiter uitleggen, zodat deze regelmatig kunnen worden herhaald.

Belangrijker zijn de oefeningen waarmee de rug- en buikspieren worden getraind. Deze twee groepen spieren zijn erg belangrijk bij de endurance, ze dragen het paard als het ware. Laat deze oefeningen door een goede fysiotherapeut uitleggen en laat hem/haar ook beoordelen hoe jij ze toepast. Een oefening die vrijwel iedereen zelf met een paard kan doen is de volgende: het recht achteruit lopen. Laat het paard zo'n 10-20 meter achteruit lopen. Let hierbij op dat het paard recht blijft en niet naar links of rechts inbuigt en scheef gaat. Zorg er het liefst voor dat het hoofd laag blijft (hoeft niet nageeflijk) zodat het paard de rug niet weg kan drukken. Het beste kan deze oefening aan de hand worden uitgevoerd, waarbij je, recht voor het paard staand, precies kan zien of het paard goed recht is. Onder de man kan eventueel ook, maar is vaak een stuk lastiger te beoordelen. Herhaal het stuk zo'n 3 keer, geef een paard dat het moeilijk vindt na elke keer een beloning en stap weer vooruit naar het begin punt.

Overige

Onder overige vallen alle andere trainingen die je met je paard kunt doen, over het algemeen zorgen deze trainingen voor de mentale soepelheid. Niet alleen voor de ruiter is een lange wedstrijd zwaar, het paard moet ook kilometers draven en galopperen. Al is de ruiter nog zo gemotiveerd, als het paard echt niet meer verder wil houdt het op. Het paard moet tussen de oren dus ook gemotiveerd zijn, door willen gaan en anders op z'n minst te overreden. Dit wordt bereikt door een goede band op te bouwen, dan zal het paard ook eerder bereid zijn door te gaan.

Zo kun je bijvoorbeeld iedere week een wandeling van een uur maken. Hierbij wordt het paard niet belast, maar ook wordt de band tussen ruiter en paard versterkt.

Ook kun je, om het paard weer iets anders te laten doen, verschillende spelletjes doen. Denk aan methodes als TTeam, Parelli, Monty Roberts, Emiel Voest etc.

Bronnen, referenties en/of voetnoten


Endurance Riding, From Beginning To Winning, door Lew Hollander (Engelstalig)